Astra op ontdekking: wat leren kinderen?
Astra op ontdekking is een COC-lespakket voor groep 3, 4 en 5 met video’s, verhalen en persoonlijke opdrachten over gezinnen, gedrag, geslacht en ‘genderidentiteit’.
Kinderen maken poppetjes van hoe zij er nu uitzien en later willen zijn. Die worden in de klas opgehangen. In een video vertelt Jason zich op de basisschool geen meisje te hebben gevoeld en nu met ‘hij’ aangesproken te worden. De leerkracht vraagt wat er aan Jason is veranderd en of kinderen mensen zoals Jason kennen. Ook speelgoedvoorkeuren worden besproken als onderdeel van gendernormen en stereotypen.
Leerkrachten krijgen daarbij een begrippenkader waarin een innerlijke ‘genderidentiteit’ kan verschillen van het geslacht en sekse een spectrum is. Voor groep 5 noemt het lesplan expliciet het doel dat kinderen ‘onbewuste ervaringen’ opdoen met genderdiversiteit en worden ‘losgetrokken van binaire denkpatronen’.
Ons bezwaar: het pakket verbindt de vrijheid om van stereotypen af te wijken aan één opvatting over geslacht en genderidentiteit. Lichamelijk geslacht, expressie en identiteit worden onvoldoende onderscheiden; de interpretatie van gevoelens wordt leidend voor hoe iemand wordt benoemd. Bovendien wil het pakket kinderen deels onbewust met deze opvatting vertrouwd maken.
Wij onderzochten de lessen, leerkrachtinstructies en onderliggende bronnen.
Vraag uw school: gebruikt u Astra op ontdekking? Welke lessen geeft u en mag ik het volledige materiaal vooraf bekijken?
Samenvatting
De belangrijkste problemen
- Lessen en handleiding onderscheiden lichamelijk geslacht, genderexpressie en genderidentiteit onvoldoende en stellen één uitleg van genderidentiteit als vanzelfsprekend voor.
- Sekse heet een ‘spectrum’, zonder heldere uitleg of onderscheid tussen geslacht, geslachtskenmerken en zeldzame variaties in de geslachtsontwikkeling.
- Speelgoed, kleding en gedrag worden gekoppeld aan gendernormen en genderidentiteit. Daardoor krijgen gewone voorkeuren meer betekenis dan nodig is.
- Groep 5 moet expliciet ‘onbewuste ervaringen’ opdoen en loskomen van ‘binaire denkpatronen’: een moeilijk toetsbaar doel dat voor kinderen en ouders weinig transparant is.
- Kritische oudervragen worden mede geduid als ‘weerstand’, angst, onjuiste informatie of mogelijk vooroordeel.
- Verschillende wetenschappelijke bronnen onderbouwen de conclusies van de handleiding niet of slechts gedeeltelijk.
- De handleiding noemt ‘suïcides’, terwijl de aangehaalde onderzoeken vooral suïcidale gedachten, pogingen of bredere psychische problemen meten.
Kinderen moeten hun eigen uiterlijk, gevoelens en identiteit onderzoeken
Hieronder bespreken we concrete voorbeelden uit de lessen. We laten steeds zien wat de opdracht is, wat ons bezwaar is en op welke bron dat bezwaar rust.
Kinderen moeten “onbewust” worden “losgetrokken van binaire denkpatronen”
Voor groep 5 vermeldt het lesformulier dat leerlingen “onbewuste ervaringen” moeten opdoen met genderdiversiteit en worden “losgetrokken van binaire denkpatronen”.

Bewijs · Lesvoorbereiding groep 5
Uitsnede uit de handleiding met de thema’s en leerdoelen voor groep 5, waaronder het ervaringsdoel om onbewust los te komen van binaire denkpatronen.
Bekijk de scan →Deze formulering vermengt twee doelen:
- kinderen bevrijden van beperkende stereotypen;
- kinderen laten wennen aan een bepaald denkmodel over gender en binaire categorieën.
Dat zijn niet dezelfde doelen. De gedachte dat jongens en meisjes vrij zijn in hun kleding, gedrag en talenten vereist niet dat het onderscheid tussen jongen en meisje zelf als een beperkt denkpatroon wordt behandeld.
Ook blijft onduidelijk wat “binaire denkpatronen” precies betekent. Gaat het om starre ideeën over gedrag en beroepen? Of om het onderscheid tussen man en vrouw? Zonder die uitleg is het leerdoel te ruim.
Daarnaast is een “onbewuste ervaring” nauwelijks toetsbaar. Een school kan niet betrouwbaar vaststellen wat een leerling onbewust heeft overgenomen. Het materiaal beschrijft daarmee eerder een gewenste denkrichting dan een concreet en controleerbaar leerresultaat.
Zelf je uiterlijk kiezen wordt verbonden aan “geen zij meer, maar hij”
Een kind mag zelf zijn kleding en kapsel kiezen. Maar in deze Astra-les komt ook het lichaam zelf in dat rijtje terecht. Daarna horen kinderen: “Alles kan. En het mag altijd veranderen.”
Kinderen knutselen een poppetje van zichzelf. In video 4.2.B vertelt Jason dat hij dat ook deed in groep 3. Astra merkt op dat hij er toen anders uitzag. Het antwoord gaat niet over kleding of haar:
Jason vertelt dat hij samen met zijn ouders een andere naam koos:
De leerkracht vraagt vervolgens: “Wat is er aan Jason veranderd sinds vroeger?” en “Ken je mensen zoals Jason?”
In de latere samenvattingsvideo komt Astra terug op de poppetjesopdracht en hoe kinderen eruit willen zien:
Bewijs · Video 4.2.B en de samenvattingsvideo
Een kind hoeft niet te passen in een stereotype om een jongen of meisje te zijn. Juist die vrijheid raakt uit beeld wanneer een les “ik voel me geen meisje” verbindt met “geen zij meer, maar hij” en vervolgens samenvat: “Alles kan.”
De verschuiving begint bij een gewone vraag over uiterlijk. Astra merkt op dat Jason er vroeger anders uitzag. Het antwoord gaat over geen meisje voelen, een andere naam en voortaan “hij” worden genoemd. In de samenvatting wordt dat weer een verhaal over zelf kiezen hoe je eruitziet. Uiterlijk, gevoel en identiteit worden zo aan elkaar verbonden zonder hun verschillen uit te leggen.
Dat is precies waar de les tekortschiet. Je niet herkennen in verwachtingen over meisjes betekent niet dat je geen meisje bent. Een jongen die liever met poppen speelt, hoeft zijn jongen-zijn niet te verklaren. Kinderen moeten leren dat stereotypen hen niet begrenzen. Hier ontbreekt die uitleg op het moment dat zij het hardst nodig is.
Bovendien gaat de opdracht over de kinderen zelf. Zij maken hun eigen poppetje en denken na over hun eigen uiterlijk. Jasons verhaal krijgt daarmee een plaats in hun voorstelling van zichzelf. Dan is “alles kan” een onzorgvuldige boodschap: een andere trui, een andere aanspreekvorm en lichamelijk geslacht zijn geen onderling verwisselbare zaken.
De verantwoordelijkheid voor dat onderscheid ligt bij de volwassenen. Een school moet kinderen de ruimte geven om anders te zijn én de woorden om verschillen te begrijpen. Deze les verbindt de begrippen, maar laat de uitleg achterwege. Het kind moet zelf ontwarren wat de makers door elkaar aanbieden.
Van “speelgoed is voor iedereen” naar “je kunt allebei of geen van beiden zijn”
Kleding, speelgoed en hobby’s zijn voor iedereen, vertelt deze Astra-video. Dan volgt ineens: je kunt jongen én meisje zijn, of geen van beiden. Van vrije voorkeuren naar een uitspraak over wat je bent.
Bewijs · Video 5.2
De video zegt letterlijk:
Daarna:
En:
Hier worden voorkeuren, gevoelens en geslacht door elkaar gehaald. Dat speelgoed voor iedereen is, betekent niet dat je jongen én meisje kunt zijn. En hoe je je voelt, bepaalt niet of je een jongen of meisje bent. Een gevoel is echt, maar daarmee nog geen feit over je geslacht.
De handleiding noemt genderidentiteit expliciet als thema. Kinderen vullen een vriendenboekje in, interviewen elkaar en krijgen de vraag: “Wat heb je over jezelf ontdekt?” De boodschap wordt dus verbonden met een opdracht over henzelf.
Een meisje dat niet op andere meisjes lijkt, is geen minder echt meisje. Een jongen die niet aan jongensstereotypen voldoet, is geen minder echte jongen. Waarom krijgen kinderen na een boodschap over vrije voorkeuren te horen dat je ook ‘allebei’ of ‘geen van beiden’ kunt zijn?
Bron: Astra, video 5.2 en lesvoorbereidingsformulier 5.2, p. 2–4.
Een les over speelgoed stuurt kinderen naar een vooraf gekozen antwoord
Kinderen bekijken vooraf geselecteerde afbeeldingen van speelgoed, hobby’s en beroepen. Zij beantwoorden vragen als “Wat zie je?” en “Waaraan zie je dat?” Daarna tekenen zij waarmee zij willen spelen of welk beroep zij later willen hebben.

Bewijs · Lesvoorbereiding 3.4
Uitsnede uit het lesvoorbereidingsformulier over speelgoed, hobby’s en beroepen voor groep 3.
Bekijk de scan →De boodschap dat speelgoed, hobby’s en beroepen voor iedereen zijn, is waardevol. Het bezwaar zit in de aanpak. De beelden, het thema “gendernormen en stereotypen” en de gewenste conclusie zijn vooraf gekozen. De les stuurt dus al voordat het kind antwoord geeft. Dat wringt met de open verkenning die de methode “Wat zie ik?” suggereert.
Bovendien worden gewone voorkeuren eerst langs de lijn jongen-meisje gelegd om dat onderscheid vervolgens te corrigeren. Het materiaal waarschuwt zelf dat het herhalen van stereotypen deze juist kan bevestigen.
Gemiddelde verschillen tussen groepen zeggen niet wat ieder individueel kind leuk vindt. Er zijn altijd meisjes geweest die liever met treinen dan met poppen spelen, en jongens die verkleden leuker vinden dan voetballen. Zulke verschillen binnen de groep maken een meisje niet minder meisje en een jongen niet minder jongen.
De DSM-5-TR leunt bij kinderen opvallend zwaar op gendernon-conform gedrag. Vijf van de acht criteria gaan over kleding, rollen in fantasiespel, speelgoed en activiteiten, speelkameraden en het afwijzen van stereotiep speelgoed of spel. Afzonderlijk zijn deze gedragingen niet genoeg voor een diagnose.
Juist daarom is het zorgelijk dat Astra op ontdekking precies deze onderwerpen de klas in brengt binnen een kader van gender en identiteit. Gewone speelgoedvoorkeuren worden zo materiaal voor een les over wie een kind is. Maar wat een kind graag doet, bepaalt niet of het een jongen of meisje is. Een voorkeur behoeft geen verklaring in termen van genderidentiteit.
Een jongen die met poppen speelt en een meisje dat voetbalt, laten in de eerste plaats zien wat zij leuk vinden. De eenvoudige boodschap volstaat: speelgoed, hobby’s en beroepen zijn voor iedereen. Verschillen in voorkeur zijn geen reden voor uitsluiting of pesten. De school hoort die vrijheid te beschermen, zonder er een identiteitsvraag van te maken.
Bron: American Psychiatric Association, DSM-5-TR en Gender Dysphoria Fact Sheet.
Leerkrachten krijgen één visie op geslacht en identiteit aangereikt
De lessen staan niet op zichzelf. De handleiding geeft leerkrachten ook een inhoudelijk kader mee voor geslacht, genderidentiteit en ouderbetrokkenheid.
Een interpretatie van gevoelens wordt bepalend voor hoe een kind wordt benoemd
De begrippenlijst omschrijft genderidentiteit als hoe iemand zich voelt: man, vrouw, allebei of geen van beide. Op basis daarvan wordt iemand cisgender of transgender genoemd.

Bewijs · Begrippenlijst
De begrippenlijst omschrijft genderidentiteit en het onderscheid tussen cisgender en transgender.
Bekijk de scan →De handleiding kiest voor een identiteitsmodel waarin de innerlijke beleving bepaalt hoe iemand wordt benoemd. Daarbij wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen lichamelijk geslacht, gevoel, gedrag en genderexpressie.
Een gevoel kan echt en belangrijk zijn, maar zegt niet vanzelf wat iemand lichamelijk is. Omgekeerd bepaalt het lichaam niet welke kleding, hobby’s, eigenschappen of gedragingen iemand hoort te hebben. Een voetballend meisje blijft vrij om meisje te zijn; een jongen die graag haakt of zich verkleedt, hoeft zichzelf daarom niet anders te benoemen.
Zeker bij jonge kinderen zijn gevoelens, voorkeuren en manieren van uiten nog volop in ontwikkeling. Een leerkracht kan luisteren en respectvol reageren zonder gewone verschillen onmiddellijk binnen één identiteitsmodel te plaatsen. Die ruimte ontbreekt wanneer de innerlijke beleving als vanzelfsprekend leidend wordt gemaakt.
Sekse is geen “spectrum”. Er zijn twee geslachten.
De handleiding noemt chromosomen, hormonen en geslachtskenmerken en concludeert vervolgens: “Sekse is dus een spectrum.”

Bewijs · Begrippenlijst, onderdeel ‘Sekse’
De begrippenlijst noemt chromosomen, hormonen en geslachtskenmerken en concludeert dat sekse een spectrum is.
Bekijk de scan →Mensen verschillen in allerlei lichamelijke kenmerken. Ook bestaan er aangeboren variaties in de geslachtsontwikkeling. Maar uit die variatie volgt niet zonder verdere uitleg wat precies met een “seksespectrum” wordt bedoeld.
Gaat het om variatie binnen mannen en vrouwen? Om afzonderlijke geslachtskenmerken? Of om een doorlopende schaal waarop ieder mens een plaats krijgt? De handleiding maakt dat niet duidelijk.
Daardoor wordt een begripsmatige en wetenschappelijke discussie samengevat als een vaststaand feit. Voor leerkrachten is juist een zorgvuldig onderscheid nodig tussen:
- de twee geslachten die bij menselijke voortplanting betrokken zijn;
- variatie in lichamelijke kenmerken;
- zeldzame variaties in de geslachtsontwikkeling;
- genderidentiteit en genderexpressie.
Zonder dat onderscheid kan lichamelijke variatie ten onrechte worden gebruikt als rechtstreeks bewijs voor een bepaalde opvatting over identiteit.
Oudervragen worden als “weerstand” benaderd
Bij ouderbetrokkenheid spreekt de handleiding onder meer over “weerstand”, angsten, onjuiste informatie en mogelijke vooroordelen. Ook wordt de Implicit Association Test als mogelijke reactie voorgesteld.

Bewijs · Handleiding, p. 11
De handleiding noemt “weerstand”, angsten en vooroordelen bij ouderbetrokkenheid, met de Implicit Association Test als suggestie.
Bekijk de scan →Een school mag onjuiste informatie corrigeren en discriminatie begrenzen. Maar niet iedere kritische vraag komt voort uit angst of vooroordeel.
Over de betekenis van individuele IAT-scores en hun voorspellende waarde voor gedrag bestaat wetenschappelijke discussie. Zo’n test biedt daarom geen stevige basis om een individuele ouder als bevooroordeeld te beoordelen. De suggestie alleen al kan het gesprek verplaatsen van de inhoudelijke vraag naar een verondersteld probleem bij de ouder.
Ouders kunnen legitieme vragen hebben over leeftijdsgeschiktheid, het gebruikte mensbeeld, persoonlijke opdrachten, wetenschappelijke onderbouwing en hun mogelijkheid om het materiaal vooraf te bekijken.
Open ouderbetrokkenheid begint daarom niet met een verklaring van de weerstand, maar met volledige informatie en een inhoudelijk gesprek.
Onderzoeksbronnen: Greenwald e.a., Understanding and Using the Implicit Association Test: III. Meta-analysis of Predictive Validity; Schimmack e.a., wetenschappelijke literatuur over de betrouwbaarheid en voorspellende waarde van individuele IAT-scores.
De handleiding trekt conclusies die de aangehaalde studies niet onderbouwen
De handleiding onderbouwt haar boodschap met wetenschappelijk onderzoek. Wij bekeken wat dat onderzoek werkelijk laat zien.
Herinneringen van volwassenen bewijzen niet wat kinderen over hun latere identiteit weten
De handleiding stelt dat de helft van de transpersonen vóór het tiende levensjaar “wist trans te zijn”.

Bewijs · Veelgestelde vragen, vraag 4
De veelgestelde vragen stellen dat de helft van de transpersonen vóór hun tiende wist trans te zijn.
Bekijk de scan →Het aangehaalde onderzoek vroeg volwassenen die zich als transgender identificeerden terug te kijken op hun jeugd. Het volgde geen willekeurige groep kinderen vanaf jonge leeftijd.
Zo’n onderzoek kan iets zeggen over hoe volwassenen hun vroege ervaringen later begrijpen. Het toont niet aan:
- wat zij als kind destijds precies dachten;
- hoe kinderen met vergelijkbare gevoelens zich later ontwikkelen;
- welke vroege gevoelens een latere identiteit voorspellen.
Bij terugkijkonderzoek speelt bovendien kennis achteraf mee. Mensen begrijpen en ordenen vroege ervaringen vanuit wie zij later zijn geworden. Dat maakt hun herinneringen niet onecht of verzonnen, maar beperkt wel wat ermee kan worden bewezen over wat zij als kind destijds wisten.
De formulering “wist trans te zijn” schuift herinnering, toenmalig begrip en voorspellende waarde in elkaar. De studie levert relevante ervaringsinformatie, maar geen bewijs dat jonge kinderen hun latere identiteit al betrouwbaar kennen.
Onderzoek naar seksueel gedrag is geen onderzoek naar genderidentiteit
De handleiding noemt seksuele oriëntatie en genderidentiteit samen biologisch, genetisch en in de baarmoeder bepaald.

Bewijs · Handleiding
De handleiding noemt seksuele oriëntatie en genderidentiteit samen biologisch, genetisch en prenataal bepaald.
Bekijk de scan →De daarbij aangehaalde studie van Ganna en anderen onderzocht gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag. De onderzoekers keken niet naar genderidentiteit.
De studie vond veel genetische varianten met ieder een klein statistisch verband. De genetische gegevens konden het gedrag van een individu niet betrouwbaar voorspellen.
Het onderzoek gaat dus over:
- seksueel gedrag, niet over genderidentiteit;
- statistische verschillen binnen groepen, niet over de oorzaak bij één persoon;
- genetische samenhang, niet over een eigenschap die volledig voor de geboorte vastligt.
“Biologisch”, “genetisch” en “in de baarmoeder bepaald” betekenen bovendien niet hetzelfde. De handleiding trekt hier een bredere conclusie dan het aangehaalde onderzoek kan dragen.
Bronnen: COC Nederland, Astra op ontdekking; Ganna e.a., Large-scale GWAS reveals insights into the genetic architecture of same-sex sexual behavior; Endocrine Society, Considering Sex as a Biological Variable in Basic and Clinical Studies.
De handleiding noemt “suïcides”, maar de aangehaalde studies tellen geen overleden jongeren
De handleiding spreekt over een “hoog aantal suïcides onder lhbti+-jongeren” en verbindt dit onder meer aan pesten en afwijzing.

Bewijs · Handleiding, p. 12
De handleiding spreekt over een hoog aantal suïcides onder lhbti+-jongeren en verbindt dit aan pesten en afwijzing.
Bekijk de scan →Suïcidale gedachten, plannen, pogingen en overlijden door suïcide zijn verschillende uitkomsten. De formulering in de handleiding maakt niet duidelijk op welk onderzoek naar daadwerkelijk overleden jongeren zij is gebaseerd.
Friedman en collega’s onderzochten retrospectief pesten, sociale steun en suïcidaliteit onder homoseksuele mannen. Toomey en collega’s onderzochten ervaringen met victimisatie en latere psychische uitkomsten. Deze studies tonen de ernst van pesten en afwijzing, maar rapporteerden geen geregistreerd aantal sterfgevallen onder jongeren.
De onderzoeken gingen bovendien niet over Astra op ontdekking. Zij kunnen dus niet aantonen dat dit specifieke lespakket suïcides voorkomt.
Dat doet niets af aan de noodzaak om pesten, afwijzing en suïcidaliteit ernstig te nemen. Juist bij zo’n ernstig onderwerp moeten de gebruikte begrippen en bewijsclaims nauwkeurig zijn.
Aanvullende bron: Richtlijnendatabase, Suïcidaliteit – De theorie van suïcidaliteit. Bekijk de richtlijn →
Respect leren vereist dit lespakket niet: ons advies is Astra niet te gebruiken
Astra op ontdekking bevat waardevolle boodschappen over respect, verschillende gezinnen en vrijheid buiten stereotype rollen. Maar het pakket verbindt die doelen aan één bepaalde uitleg van genderidentiteit en geslacht.
De Jason-video plaatst een meisjespoppetje, een innerlijk gevoel en een latere mannelijke identiteit in één kort verhaal. De begrippenlijst presenteert genderidentiteit als leidend voor de vraag hoe iemand wordt benoemd. Sekse wordt zonder voldoende uitleg een spectrum genoemd. Voor groep 5 is het bovendien een doel dat kinderen “onbewust” ervaringen opdoen en worden losgetrokken van “binaire denkpatronen”.
Dat zijn inhoudelijke keuzes, geen noodzakelijke voorwaarden voor respectvol onderwijs of het bestrijden van pesten. De aangehaalde onderzoeken tonen evenmin aan dat deze lessen voor kinderen in groep 3, 4 en 5 nodig, geschikt of werkzaam zijn.
Een school kan pesten tegengaan en ieder kind vrijlaten in kleding, speelgoed, gedrag en talenten. Daarvoor is deze specifieke uitleg van geslacht en genderidentiteit niet nodig.
Wij adviseren scholen daarom Astra op ontdekking niet te gebruiken. Respect, veiligheid en vrijheid buiten stereotype rollen kunnen ook worden onderwezen zonder kinderen dit specifieke identiteitsmodel aan te bieden.
Vraag uw school:
- welke lessen en video’s worden gebruikt;
- welke leerdoelen en begrippen daarbij horen;
- of u het volledige materiaal vooraf mag bekijken;
- hoe de school omgaat met persoonlijke opdrachten en deelname.
Respect voor ieder kind en kritische vragen over een lesmethode kunnen naast elkaar bestaan.